Iedereen in of buiten de buurt vraagt tegenwoordig aan mijn baas: “Hoe oud is ie? Goh, 13?” En dan komt het, bijna altijd raak: “Wat is ie nog vrolijk of dat kan je wel zien he?”
Vrij domme en respectloze opmerkingen als je het mij of welke bejaarde dan ook vraagt!

Ten eerste: ik lijk heel vrolijk, maar zwabber door mijn heupen. Die staart gaat vanzelf mee! En ten tweede: ze moesten eens weten hoe vermoeiend dit Haagse klimaat is. De ene dag hoogzomer, de volgende dag hartstikke koud. Daar kunnen bejaarden met hartproblemen niet goed tegen, dus ook een hond van 75 niet. De dokter heeft mijn baas namelijk haarfijn uitgelegd hoe ze mij moet zien: zwaar bejaard met een zuurstofcilinder op de rug vanwege mijn hartje dat te langzaam tikt.
Ik vond dat een mooie vergelijking en ben me vanaf dat moment als hond met beperkingen gaan gedragen:

Als WIJ nu gaan wandelen doen we ’s morgens een klein rondje. Ik mag overal aan snuffelen. Zij kijkt rond naar een duif of een plantje, of doet het woord. Ik ga bij liggen, wacht tot de aai en de liefdevolle blik, en daarna gaan we weer…
Als IK niet verder wil, ga ik bij de eerste de beste auto liggen. Gewoon op straat, wat de baas best boos maakt want dat is onze auto niet en ik let niet op.
Als ZIJ verder wil, lokt ze me mee naar interessante bomen en plekjes waar ze opnieuw het verhaal moet doen, want die persoon kent ons nog niet….
Ik begin dat wijkgezeur langzamerhand erg vermoeiend te vinden, want het wordt steeds onduidelijker. Hebben ze het over eindstations of zo, terwijl we niet met de tram gaan….
Ik begrijp nu dat de baas expres de auto voor de deur parkeert. Geen enkel gezeur meer!

Els Kruik