De legende van Sint Crispijn speelt zich af in het Romeinse Rijk van de derde eeuw na Christus. De machtige Romeinse keizers hadden daarin een bijna goddelijke status. Met de komst van het christendom in de eerste eeuw werd die status bedreigd. De christenen erkenden immers een (nog) hogere macht dan de keizer. Dat vonden de keizers een bedreiging van hun positie en macht. Keizer Nero (54 – 68) begon daarop met grootschalige vervolging van christenen.

Om aan vervolgingen te ontkomen vluchtten volgens de legende twee broers uit een voorname Romeinse familie, Crispinus en Crispinianus, in de derde eeuw na Chr. uit Rome weg. Zij kwamen terecht in Soissons in Gallië (nu Frankrijk). Daar maakten en repareerden zij schoenen voor de armen waarvoor ze geen betaling vroegen. Daardoor kwamen zij in contact met de heidense bevolking en konden ze velen van hen bekeren tot het christendom. Dat beviel de Romeinse prefect Rictiovarus maar niks. Hij liet de broers opsluiten en probeerde ze van hun geloof af te brengen. De broers waren standvastig en zwoeren hun geloof niet af.

Daarop liet Rictiovarus ze martelen. Eerst kregen ze stokslagen, daarna werden schoenmakerspriemen onder hun nagels gestoken en werden ze op de rekbank uitgerekt. Volgens de legende sprongen de priemen onder hun nagels vandaan en doodden de beul. Rictiovarus werd hierdoor zo kwaad dat hij de broers in gesmolten lood liet gooien. Een druppel lood kwam echter in het oog van Rictiovarus die daarop blind werd. De broers werden vervolgens in brandende pek en olie geworpen. Maar ook dat leidde niet tot hun dood. Zij baden om uit hun lijden verlost te worden. Hun gebed werd verhoord en een engel kwam en verloste ze uit hun lijden. Daarop stortte Rictiovarus zichzelf maar in het vuur en verbrandde. Het godsoordeel was daarmee geveld. Dat de broers niet aan al die verschrikkingen waren gestorven kon maar een ding betekenen: het waren heiligen. Toen keizer Maximilianus vernam dat Rictiovarus dood was, gebood hij de heilige broers te onthoofden. Dat overleefden zelfs deze heilige broers niet.

De christenvervolgingen gingen door tot Constantijn de Grote in 312 in een droom de opdracht kreeg om een beslissende veldslag onder christelijke vlag te strijden. Hij liet een kruis schilderen op alle schilden van zijn soldaten. Toen hij die veldslag tegen alle verwachtingen in won, stond hij in 313 met het Edict van Milaan godsdienstvrijheid toe in het Romeinse Rijk.

Vanwege de schoenmakersactiviteiten is Crispinus (Crispijn in het Nederlands) beschermheilige geworden van schoenmakers, leerlooiers en orthopedisten. Dat de Crispijnstraat naar de heilige Crispinus is genoemd komt omdat in die straat in 1921 de schoenmakersvakschool is gekomen. Aanvankelijk heette de straat de Groen van Prinstererstraat.

Het Zeeheldenkwartier is levende historie!

Jan van Galen (1604 – 1653): Kloekmoedig voor de goede zaak

Jan van Galen kwam in Essen (Duitsland) ter wereld. Door het overlijden van zijn vader ging Jan, gedwongen door geldnood, op 13-jarige leeftijd als matroos werken. Door zijn ijver, bekwaamheid en moed werd hij op 26-jarige leeftijd tot scheepsbevelhebber bij de VOC bevorderd.

Hugo de Groot (1583 – 1645): Verguisd genie van wereldformaat

Hugo de Groot (in het Latijn Grotius) werd in Delft geboren in een welgesteld regentengeslacht. Het was een wonderkind. Hij was pas acht toen dichtte hij al in het Latijn en vertaalde hij Latijnse en Griekse boeken. Op zijn elfde ging hij geesteswetenschappen studeren aan de universiteit van Leiden.

Vereniging Hendrick de Keyser: Historie ZeeheldenKwartier veilig gesteld

De bouwcontainer. Tijdens de crisis zag ik hem maar weinig in het ZeeheldenKwartier, nu is er in iedere straat wel één te vinden. Met pijn in het hart zie ik soms wat er in gaat: oude paneeldeuren, stukken glas in lood… Vooral als woningen tot appartementen verbouwd worden, blijft er van de oorspronkelijke indeling en details vaak weinig over.

Jan Frederik Helmers (1767 – 1813): Verzetsman met de pen

Jan Frederik Helmers was de zoon van een zeer welgestelde Amsterdamse metselaar, steenkoper en makelaar. Jan was een snel en leergierig ventje en zijn ouders gaven hem een gedegen opleiding. Hij beheerste naast zijn moedertaal ook het Engels, Frans en Duits.